Skip to content →

Verhaeghe (Paul), Identiteit

[Vooraf: De cover is zo lelijk, dat ik ‘m maar heb weggelaten]

Na in Liefde in tijden van eenzaamheid (1998) aandacht te hebben gevraagd voor de schaduwzijde van de seksuele revolutie en in Het einde van de psychotherapie (2009) voor de psychische schade van de ‘wij zijn ons brein’ hype, opent de Vlaamse psychoanalyticus Paul Verhaeghe in dit boek de aanval op wat in zijn ogen de oorzaak is van alle kwaad: de neoliberale samenleving. Geschreven met het gezag van de academicus en de ervaringsdeskundige (Verhaeghe is hoogleraar psychodiagnostiek, UGent en klinisch psycholoog) is dit boek duidelijk geschreven voor het grote publiek. Het is een lange – soms emotionele – aanklacht tegen de ziekmakende effecten van de neoliberale ideologie, die volgens Verhaeghe onze samenleving (en dus onze identiteit) kapotmaakt.

Nergens definieert Verhaeghe wat hij hieronder precies verstaat, maar kenmerkend is dat de genoemde ideologie ervan uitgaat dat de samenleving vooreerst bestaat uit een verzameling van individuen – naar de beruchte uitspraak van Margaret Thatcher : ‘there is no such thing as a society’. En deze enkelingen zijn allemaal met hun eigen zelfverwezenlijking bezig. En als je dat proces niet stoort, maar aanstuurt, komt alles prima in orde, zowel privé, sociaal-economisch en politiek. Om pragmatische redenen moet – nog steeds volgens het neoliberalisme à la définition de Verhaeghe – ook het sociale aspect van het mens-zijn worden geregeld en dit doet het neoliberalisme dan bij voorkeur op contractuele basis, d.w.z. zonder dat de mens daarin van binnenuit investeert (vandaar onze verslaving aan regeltjes). Vanuit deze visie kijkt de neoliberale samenleving naar de mens (en de mens naar zichzelf) en bepaalt of hij ‘geslaagd’ of ‘gelukkig’ mag heten.

Dat zo het samenleven van de mensen zwaar gehypothekeerd wordt, is evident en dit heeft z’n negatieve weerslag op zijn zelfbeleving. Wat wij zijn en hoe wij ons voelen, onze identiteit, komt immers – wat het neoliberalisme daar ook over zegt – altijd tot stand in wisselwerking met onze omgeving: Het ik is geen individuele abstractie. ‘Onze identiteit ontstaat via identificatie met en afstandname van de anderen binnen sociaal bepaalde verhoudingen’ (p. 107). Veel van de moderne psychische ziekten hangen volgens Verhaeghe dan ook nauw samen met precies die verstoorde relatie tussen het individu en zijn omgeving. De spanning tussen deze beide polen, de noodzaak tot binding èn separatie, tot ik-zeggen èn bij de groep horen, is z.i. wezenlijk en onopgeefbaar voor de mens. Een gezond mens (met een volwassen identiteit) beseft dat die twee op elkaar betrokken moeten worden, beiden wezenlijk zijn en als ze botsen, dat ze dan liefst een beetje degelijk (met gezag) worden gereguleerd. Dat het ‘neoliberalisme’, waarbij één der polen alle aandacht krijgt en de andere systematisch onderbelicht wordt, niet bepaalde gezond is, behoeft vervolgens weinig betoog.

Het boek bestaat uit een lange aanloop (hoofdstuk 1-4) waarin Verhaeghe probeert aan te tonen dat deze politiek-ethische analyse van de psychische problemen van vandaag logisch noodzakelijk volgt uit de ontwikkelingen van het ethisch denken zelf (vanaf de oudheid tot nu) , de politieke filosofie en de anthropologie. Hierbij gaat Verhaeghe wel heel schetsmatig te werk. Grote lijnen trekken is leuk, maar ze moeten natuurlijk wel kloppen, anders leiden ze op dwaalsporen. In een wetenschappelijk werk zou bijv. de simplistische manier waarop hij Aristoteles’ethiek tegenover de christelijke ethiek (heteronomie) zet of de sjabloonmatige manier waarop hij de de kapitalisme-thesis van Max Weber opvoert, niet acceptabel zijn. Ook zouden er vraagtekens gezet worden bij het ‘construct’ van de neoliberale samenleving. Gelukkig is het boek geen wetenschappelijke studie, maar een politiek pamflet.

Verhaeghe komt goed op de dreef in de hoofdstukken 5-8 als hij de ziekmakende effecten beschrijft die de neoliberale samenleving op de mens heeft. De taal is beeldend, de toon evocerend: Pakkende passages over de ‘Enron-maatschappij’, waar ‘fopspeenjongeren’ rondlopen, en men het of ‘gemaakt heeft’ of ‘slachtoffer’etc. Kortom: hoog tijd om ‘volwassen te worden’ en de aloude humane en sociale waarden in ere te herstellen. Vreemd hoe cultuurkritiek altijd nostalgisch klinkt. Zoals past bij een pamflet klinkt de aanklacht overtuigender dan de voorgestelde remedie, wat niet wegneemt dat deze donderpreek van een psychiater – een tijdrede, zoals die vroeger in kerkelijke kringen gehouden werden als er  vverkiezingen aankwamen – vaak leerzaam, soms beschamend en altijd onderhoudend is.

DW

Paul Verhaeghe, Identiteit, 2012 (Amsterdam: de bezige bij), 271blz.