Skip to content →

Bowker (John), God. A Very Short Introduction

Stel dat God bestaat, en je wilt hem gaan zoeken, dan zou het wel handig zijn om een idee te hebben naar wie of wat je nu eigenlijk moet gaan zoeken. Anders is er geen beginnen aan.

Ik vond bij de godsdienstwetenschapper John Bowker (bekend van zijn boek: Een wereld van religies, ooit nog als bijlage bij De MORGEN verschenen) een heel aardige insteek in deze materie (A very short introduction. 2014). Hij begint zijn verhaal bij het meest ontkennende antwoord (‘God bestaat niet’ of ‘God bestaat niet zo zoals men hem tot op heden heeft voorgesteld’) omdat dat antwoord de directe aanleiding is voor alle theologie en filosofie. Filosofen en theologen reageren immers op vragen die zij (of anderen) zich stellen over God. Dus niet alleen op de vraag: ‘Bestaat God?’ maar ook op vragen als: ‘Als God verondersteld wordt almachtig en liefhebbend te zijn, waarom is er dan zo veel lijden en zo veel kwaad?’ of: ‘Als God verondersteld wordt alwetend te zijn (dus alles weet, ook wat ik verkies te doen), is mijn “keuze” dan echt, ervan uitgaande dat de uitslag al bekend is?’

The invisible man

Ik laat nu zijn verdere uiteenzetting voor wat die is (Read the book), maar wil wel nog even aandacht vragen voor de interessante – zeer persoonlijke – slotbeschouwing die hij geeft in het hoofdstuk over de (her)kenbaarheid van God. Hij begint dat deel met een citaat uit de bekende roman van H.G. Wells, The invisible man, die voor het probleem wordt gesteld, hoe hij – onzichtbaar zijnde – in contact kan komen met de mensen… Hij loopt onzichtbaar rond, zonder kleren, zonder geld. Op een nacht is hij zo radeloos dat hij inbreekt in een kledingwinkel, wat kleren bijeengraait en aantrekt. ’s Ochtends zien de mensen dat er ingebroken is en reageren verschrikt. Maar toen ontdekte iemand me en riep: ‘Daar is hij!’. Toen hij zich dus voordeed als een mens, werd hij ontdekt omdat hij gezien werd. Dit beeld grijpt Bowker aan om over de kenbaarheid van God te spreken. God kan immers ook niet op een zichtbare manier aan ons voorgesteld worden. God is geen object dat gezien kan worden.

God is onzichtbaar, zoals theïstische religies altijd al hebben volgehouden: ‘Niemand heeft ooit God gezien’ (1 Johannes 1:18); ‘Zijn vorm (rupa) is niet te zien; niemand ziet Hem met het oog’ (Shvetashvatara Upanishad 4.20); ‘Aïsja zei: “Als iemand jou vertelt dat Mohammed zijn Heer heeft gezien, is hij een leugenaar, want God zegt: Hem bereiken de blikken niet, maar Hij bereikt de blikken wel.”’ (islamitische overlevering, Sahih al-Bukhari, Vol. 9, Boek 93, Hadith 477, citaat Koran 6:103).

Maar in dat geval is het toch zeker terecht om te vragen: How on earth can God be known ? Dat kan alleen indirect, via de ‘weg der middelen’ zoals men vroeger vaak zei. God kan gekend worden door effecten ‘in de wereld’ die een voortvloeisel zijn van wat wij God noemen, wat rond dat woord geschiedt, althans wat wij ‘daarrond waarnemen. Filosofisch gezegd: God volgt uit de gevolgen. Hij kan afgeleid worden uit wat er in de wereld gebeurt (abductie). Filosofen zullen waarschuwen voor cirkelredeneringen en tautologieën, maar zolang er geen massieve feitelijke claims volgen, lijkt me deze theologische methode verdedigbaar. Je geeft een interpretatie van de verschijnselen. Die blijven primordiaal. In de theologie is geen Hegeliaanse dwang (verwijzend naar de uitroep: ‘des te erger voor de feiten!’, nadat iemand erop gewezen had dat de theorie niet klopte met de feiten.) Het gaat natuurlijk niet letterlijk om voetstappen in de sneeuw of sporen in de modder, maar figuurlijk. In de taal van The invisble man:  God heeft zich in de wereld gestort, kleren gegraaid die mensen ‘die ogen hebben om te zien’ kunnen zien. En dan klinkt er de roep: ‘Kijk: daar is God!’

Wat zijn dan die kleren die God in onze ogen echt maken? Of, minder metaforisch gesteld: wat zijn de effecten waardoor God kenbaar wordt? Het antwoord hierop zou een erg lange opsomming opleveren, maar John Bowker – na een levenlang met godsdienstige fenomenen te zijn bezig geweest – meent dat die in drie hoofdgroepen uiteenvallen, elk met z’n eigen bijzonderheid. Hij voegt ook toe dat ze niet perse in alle religies voorkomen, en dat ook het accent onderling nogal kan verschillen.

Het gewaad van de schepping (de orde, schoonheid, en betrouwbaarheid van al wat is)

Deze kledingstukken spelen in de christelijke traditie ook een grote rol, maar worden sinds de 19de eeuw vaak misbegrepen. Dan gaat het over de oorsprongsvraag (schepping of evolutie). In die valkuil trapt Bowker niet. Het gaat niet om de zinloze discussie over het begin, maar om de schoonheid, de orde, de betrouwbaarheid, de uitgestrektheid van het universum. Over de verwondering dat er iets is, en niet niets. Filosofen en dichters – en gelovigen in het algemeen – bespelen dit register op heel verscheiden manieren en gebruiken hiervoor heel verschillende taalregisters. Voor het christendom is het nog altijd de eerste uitspraak van het Credo. Het gaat om een uitspraak van geloofsvertrouwen, het hebben van fiducie in al wat geschapen is. De Koran noemt het tekenen (ayat, hetzelfde woord als voor de verzen van de soera’s in de koran wordt gebruikt). In de schepping van de hemelen en de aarde en het verschil van nacht en dag zijn tekenen voor mensen die verstand hebben […] en die over de schepping van de hemelen en de aarde nadenken. Het is in de samenhang en de schoonheid van het heelal dat we waarheid, schoonheid en goedheid als ontdekken en leren waarderen als levensdragende en zingevende waarden. Die zijn zelfs absoluut te noemen in die zin dat ze gewoon ‘zijn wat ze zijn’, ook al zijn de omstandigheden waarin ze optreden contingent en dus zeer verschillend: ‘Slechts Euclides zag Schoonheid onverhuld…
Zo kunnen we de natuurwerkelijkheid als een openbaringsboek (zie Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 1) leren lezen, het eerste gewaad waarin God aan ons verschijnt.

De eenvoud van een steen als mogelijkheid om tot een openbaring of ontdekking te komen (Shinto) mag je dan plaatsen naast Jezus die brood en wijn nam om de belofte van zijn aanwezigheid te bekrachtigen. En Krishna nam ghee – en speelde op een fluit. Deze fysieke, tastbare vormen waarin ‘god’ zich manifesteert, zouden we ‘sacramenten’ kunnen noemen.

Bowker verwijst naar het sacramentum als de eed die de recruten moesten zweren om in het Romeinse leger te worden opgenomen en citeert Horatius (Oden 2.17.10: ‘Non ego perfidum: dixi sacramentum; ibimus, ibimus’): ‘Ik heb geen trouweloze eed gezworen. Ik zei ‘sacramentum’: We zullen gaan! We zullen gaan!’. In het christendom is een ‘sacrament’ een ‘een uiterlijk en zichtbaar teken van een innerlijke en geestelijke verbondenheid’. Andere religies kennen soortgelijke begrippen. De auteur wijst op de samskara’s in India: rituelen en handelingen die worden ondernomen om ‘het lichaam, de geest en het verstand van individuen te heiligen, zodat ze een volwaardig lid van de gemeenschap kunnen worden’.

Het mantel van de inspiratie (voortgaande openbaring)

De tweede manier waarop God waargenomen wordt, is via de interactie tussen zijn basale (baserend, funderende) scheppende activiteit en hoe de mens daarop voortbouwt. Bowker noemt dat inspiratie. Hij wil de aandacht vestigen op het wonder van de menselijke creativiteit op zich, die als het ware dat wat in de natuurwerkelijkheid zit, ontvouwt, voortzet. En dat op alle terreinen van het leven zijn: kunst, wetenschap, techniek, maar ook de wederzijdse zorg (mens-mens; mens-natuur). Het is eigenlijk de kanalisering van wat er in de natuur zit, ten goed. Als we nog even vasthouden aan de metafoor van ‘kleren’, dan zou je kunnen denken aan de profetenmantel, waarin Elia of Mohammed zich hulden om in afzondering met God ‘geïnspireerd’ te worden. Die mantel staat dan voor de samenwerking tussen het goddelijke en het menselijke, en God kan dit kleed aannemen als mensen openstaan voor de immanentie van God, dat wil zeggen voor het verschil dat God kan maken. Ze komen voort uit een samenwerking (coöperatie of collaboratie) tussen het menselijke en het goddelijke. Mensen worden zo a.h.w. secondary agents in de niet aflatende scheppingsactiviteit van God.

In meer specifieke zin worden inspiratie en openbaring vaak in verband gebracht met bepaalde woorden, teksten, boeken (heilige Boeken). Op dit punt zouden we m.w. beter iets terughoudender worden. Men zou die teksten toch vooral als gestolde inspiratie beschouwen, dat wil zeggen als de neerslag van hoe andere mensen in andere tijden in andere situaties God hebben verstaan. Ze getuigen van inspiratie. Ze kunnen inspireren, maar ze mogen bronnen van creativiteit niet vantevoren al afwijzen. Dan werken ze averechts. Komt nog bij dat we ook nuchter moeten zijn. De openbaring in de ene religie wordt inhoudelijk en qua strekking geregeld tegengesproken door de openbaring in een andere religie. Ook zijn in elke openbaringstraditie de karakteriseringen van God in de loop der tijd veanderd, zodanig zelfs dat latere de eerdere zijn gaan verdringen. Toch blijven de woorden van de vroegere openbaring welsprekend en veelzeggend over God, niet in de laatste plaats omdat mensen er altijd weer opnieuw door geroerd en geïnspireerd raken om zelf ook met, tot en over God te spreken.

Het kleed van de mens zelf (verdiepende humaniteit)

De derde groep ‘kleren’ die God heeft aangetrokken om zichtbaar te worden, voert ons terug naar de onzichtbare man van H.G. Wells en het moment waarop ‘dit merkwaardige wezen op de 9de februari op aarde neerdaalde’. De kleren zijn – de vergelijking wordt klassiek – het menselijk lichaam (The word became Flesh) waarin God in al z’n singulariteit als uit een oneindige transcendentie neerdaalt in Bethlehem (in het geval van Jezus), Mathura (in het geval van Krishna) of Ayodhya (in het geval van Rama). Zo wordt God geacht (uiteraard niet in alle religies, en uitdrukkelijk niet door moslims) zich in menselijke vorm te hebben geopenbaard. En zo wordt diezelfde God nog steeds geacht ook verdere toegang tot de wereld te verkrijgen. In de verhalen en rituelen zet zich deze incarnatie van het goddelijke in het menselijke voort. We kunnen deze‘verschijningen’ (epifanische momenten waren het) losjes groeperen onder de noemer ‘de menswording van God’, maar wat over Jezus geloofd wordt, is natuurlijk wel heel iets anders dan wat over Krishna en Rama geloofd wordt. Ook wordt ‘de menselijke natuur’ die die godheid aanneemt (waarbinnen de verschijningen dus plaatsvinden) telkens heel anders opgevat. En hetzelfde geldt ook voor de human predicament (condition humainre) waarvoor zij een uitweg, een verlossing bieden. Of beter: verschillende manier om aan de negatieve gevolgen te ontkomen).

Toch blijft het een echt gemeenschappelijk element in al deze religieuze overtuigingen dat men gelooft dat God het initiatief neemt om mensen als het ware halfweg tegemoet te komen in hun precaire bestaan, en dat hij dus wil helpen om een antwoord te vinden. Er is – zo veronderstellen ze – veel in de menselijke situatie dat nood heeft aan reddiong of herstel: De Koran heeft meer dan honderd verschillende woorden heeft voor menselijke tekort. In Bhagavad Gita verklaart Krishna: ‘Telkens wanneer Dharma in verval raakt en Adharma hoogtij viert, reïncarneer ik mijzelf. Om het goede te beschermen, en het kwade te vernietigen; om Dharma te vestigen word ik elke eeuw weer geboren.’

Dus waarom dan slechts half-way en niet meteen helemaal redden? Omdat dan de mens geen mens meer zou zijn en religie de vlucht in een utopie wordt, weg van de werkelijkheid. Dan is de link met de vorige twee openbaringswijzen van God gebroken. (Bowker zelf geeft een ander antwoord, hij heeft het over liefde en over de noodzaak van scheiding, over de donkere nacht van de ziel van St. Jan van het Kruis. Dan gaat hij door op de via negativa an de apofatische theologie. Mooie en terechte stukken, maar wel wat zwaar op de hand. Binnen deze very short introduction kort ik dat maar wat in. Hij maakt duidelijk dat ook alles wat je op grond van Gods kleding over hem meent te kunnen zeggen, wel met een korreltje zout moet worden genomen, omdat het enkel de inkleding, de uiterlijke ‘effecten’ zijn, gevolgen. Geen essentie, maar consequentie. Wat God is,  kan niet geweten worden. In die zin is God inderdaad onkenbaar. Alles wat we in positieve zin over God proberen te zeggen moet tegelijk ook gecorrigeerd worden en zelfs ontkend omdat het per definitie altijd tekortschiet – Deus semper maior. Verschillende religies hebben daar verschillende woorden voor: het jodendom kent ayn, ‘niets’, het christendom via negativa, ‘de negatieve weg’, islam bila kayf, ‘zonder te weten hoe’, hindoeïsme neti, neti, ‘Niet dit, niet dat’ (of zelfs gewoon: ‘Nee! Nee!’).

Conclusie

God is een uitnodiging, en die uitnodiging gaat uit tot ieder mens, schrijft Bowker in de slotalinea. Daarna gaat hij preken, maar die zin blijft hangen. Ik hoor die uitnodiging op grond van het bovenstaande toch vooral als een oproep om ‘met open ogen en open oren door de wereld’ te blijven gaan, vol verwondering over het wonder, zorgzaam en zorgvuldig in de omgang met alles wat is.

28 januari 2018. Dick Wursten

Tekst gebaseerd op en geïnspireerd door John Bowker, God. A Very Short Introduction,(Oxford, 2014). Het boekje is ook in het Nederlands vertaald, maar wie Engels kan lezen, leze het origineel.

terug naar begin