Gardiner (John Eliot), Bach, muziek als een wenk uit de hemel

Niemand kon er het afgelopen jaar omheen: Sir John Eliot Gardiner heeft een boek over Bach geschreven. Het was een hype. Alle kranten publiceerden interviews, Brandpunt maakte er een item over, bij de ‘Mattheüsspecial’ van ‘De wereld draait door’ lag het boek als een bijbel op tafel en – voor de Vlamingen – zelfs HUMO besteedde er aandacht aan. Het resultaat was navenant: nr. 1 in de boeken top tien, afdeling non-fictie. Dit succes komt een jaar, nadat het Engelse origineel verscheen en de BBC de auteur een vrijgeleide gaf rondom het boek een documentaire te maken: A Passionate Life. De Nederlandse vertaling is meestal correct (‘Johanneïsch’, niet ‘Johannitisch’, als het over de evangelist Johannes en zijn evangelie gaat!, en : let toch a.u.b. eens op het taalregister), maar mist wel het meeslepende ritme en de rijke klank van het barokke Engels van de auteur.

John Eliot Gardiner heeft zijn sporen verdiend in de wereld van de ‘oude muziek’. Hij was een pionier van de authentieke uitvoeringspraktijk met zijn Monteverdi choir en het English Baroque Orchestra. Wie oud genoeg is om de opkomst van deze muziekpraktijk te hebben meegemaakt, weet nog hoe revolutionair en schokkend dit in de jaren 1960-1980 was. Vandaag is het precies andersom: De standaard is een ‘historically informed performance’ (HIP) en de romantische uitvoeringen van Bachs muziek zijn voor de huidige generatie musici en luisteraars rariteiten uit een lang vervlogen verleden. John Eliot Gardiner was dus in zijn jeugd een dissident, een rebel , die dankzij veel muzikaliteit en de nodige dosis koppigheid de huidige muziekbeleving mee heeft gestempeld. Nu heeft hij aan de eindeloze reeks boeken over Bach het zijne toegevoegd. Gardiners Bach is een muzikaal genie maar tegelijk ook een heel menselijk mens, dissident in zijn tijd (in donkere tonen geschilderd door de auteur, werkelijk geen fijne tijd om in te leven). Bach heeft echter – nog steeds volgens Gardiner – in koppige volharding en tegen veel tegenwerking in (van adellijke, burgerlijke, mercantiele en kerkelijke overheden) grandioze muziek geschreven met een universele, menselijke boodschap. Volgens de auteur gaat het dan vooral om een diepe empathie met de kleine mens, die het moeilijk heeft, met het leven, met zichzelf, met God, met de dood.

De cruciale vraag bij zo’n schets is: Hoe weet Gardiner dit eigenlijk ? Want van Bach zijn geen betekenisvolle ego-documenten bekend en veel feitelijke informatie is er ook al niet. De gesuggereerde tegenwerking van bijvoorbeeld de kerkelijke overheden wordt nergens gestaafd. Ook kan voor de kritiek op Bach – zoals dat hij zijn taken op de Thomasschool verwaarloosde – een heel nuchtere verklaring worden gegeven, bijvoorbeeld dat ze ergens wel een punt hadden. De verantwoording die de auteur geeft voor zijn interpretaties, is geniaal en simpel: hij weet dit doordat hij de muziek zelf heeft uitgevoerd. De muziekpraxis is voor hem de kennisbron bij uitstek. Vooral de Cantata-pilgrimage uit 2000, toen hij met zijn ensemble een jaar lang alle cantates van Bach heeft uitgevoerd op de liturgisch juiste zondag, is revelerend geweest. Met talrijke voorbeelden, zo weggelopen uit – letterlijk ook – de CD-booklets, bewijst hij dit, althans naar de mening van de auteur. Subtiele kritiek op dominees, stevige oorvijgen voor hypocriete burgervaders – hij heeft het gehoord in de cantates.

Had het boek zichzelf dus geafficheerd als: “Sir John Eliot Gardiners persoonlijke weg door de wereld van de oude muziek, zijn persoonlijke beleving van de muziek van Bach, ingeleid door en opgeluisterd met talrijke (kunst-)historische weetjes en vol verrassende doorkijkjes, – en niet te vergeten – gecompleteerd met een volledige luistergids voor enkele van Bachs cantates en zijn passies”, dan had ik het zonder frustratie tot mij genomen. Het boek pretendeert echter een wetenschappelijke biografie van Bach te zijn, waarbij de subjectieve component (= beleving van de muziek als uitvoerder) op een verantwoorde manier zou zijn ingezet om de mens Bach op het spoor te komen. Voor de insiders: hiermee zit Gardiner op de lijn van de musicologen John Butt en Robert L. Marshall. Het probleem is dat Gardiner dit subjectieve element niet kritisch benut, maar verabsoluteert. Hij herinterpreteert de schaarse biografische gegevens vanuit zijn muziekbeleving en creëert hiermee een beeld van Bach dat zijn beleving en interpretatie van de muziek bevestigt. Logisch, het is eruit opgebouwd. Jammer dat de auteur dit fenomeen, deze valkuil voor elk historisch onderzoek, wel beschrijft in zijn inleiding, ook kritisch aanwendt om eerdere Bach-beelden te vergruizelen, maar niet op zijn eigen constructie toepast. Het is dus hoog tijd dat ook in de Bach-Forschung iemand eens een ‘Geschichte der Leben J.S. Bachs Forschung schrijft, zoals ooit door Albert Schweitzer over het onderzoek naar ‘de historische Jezus’ is geschreven.

De schaarse feiten (facta, acta, data) die we kennen, zijn banaal, weinig-zeggend (heel anders dan bij Händel of Telemann), zodat elke interpretatie speculatie is (Men leze Maarten ‘t Hart over de ‘Zippelfagottist ! Excellent historisch-kritisch). De enkele nieuwe feitjes die Gardiner toevoegt (met name de bijzonder slechte reputatie van school die Bach bezocht in Ohrdruf), zijn bij lange niet voldoende om nu plotseling wel een beeld van Bach-als-mens te kunnen schetsen. “Wovon man nicht sprechen kann, darüber muss man schweigen.“ Gardiner zondigt tegen deze regel en schrikt er zelfs niet voor terug om Bach bij Freud op de sofa te leggen en plechtig te verklaren dat Bachs gevoeligheid voor het menselijk lijden en zijn constante aanvaringen met gezagsinstanties beide kunnen worden verklaard door zijn traumatische jeugd. Had hij niet reeds jong zijn ouders verloren, was hij op school niet mishandeld (misbruikt)!? Het eerste is een feit, het tweede een gissing, de impact die het op Bach als persoon had, is totaal onbekend. Gardiner gaat verder: Bach leed onder post-traumatische stress. Daarom kan hij geen kritiek velen, is hij lichtgeraakt (rebels, opvliegend) op het paranoïde af. (in de BBC-documentaire laat Gardiner een psychologe dit expliciet zeggen, ga u schamen mevrouw).
Gelukkig – voor gelovigen: God zij dank – heeft Bach dit trauma via de muziek omgezet in klanken die hem zelf eerst hebben getroost, en nu nog universeel alle arme zielen waar dan ook troost bieden (trouwens: ook dat is psychologie van de koude grond). Zoals gezegd: de auteur mag dit denken en als uitvoerend musicus ook zo beleven, hij mag het zelfs in liner notes van zijn CD’s suggereren, maar pretenderen dat dit de echte Bach is, dat moet worden weersproken. Het Bach-onderzoek van de laatste halve eeuw heeft kosten noch moeiten gespaard om al dit gepsychologiseer – met net zoveel Bach-beelden als er Bach-schrijvers zijn – te doorprikken en zorgvuldig te deconstrueren. Christoph Wolff heeft in 2000 alle feiten nog eens opgelijst en afgezet tegen de muzikale, sociale, politieke en culturele achtergrond, voorzien van voorzichtige interpretaties, vaak nog vragenderwijs (Bach, the learned musician), en helaas: daarbij zal het blijven. Voor mij is die leegte prima verdraagbaar, voor veel anderen – horror vacui – moet er blijkbaar een eigentijdse narratieve constructie omheen. Dat men dan in plaats van een Bach-biografie een ‘spitting image’ van de schrijver krijgt voorgeschoteld, vol psychologie van de koude grond, daarvan zijn veel lezers – en blijkbaar ook sommige schrijvers en talrijke recensenten – zich niet bewust. Het feit dat op de Nederlandse editie een portret van Bach op de cover staat, waarvan het vrijwel zeker is dat het Bach niet is, is in dit opzicht veelzeggend.*
Het boek is bijzonder mooi uitgegeven, met leeslint en drie prachtige full-colour katerns.

verschenen in De stem van het boek, jg. 25/3 (2014)

* voor een analyse van dit schilderij, zie “The Face of Bach”

John Eliot Gardiner, Bach. Muziek als een wenk van de hemel. Uit het Engels vertaald door Frits van de Waa en Pon Ruiter. De Bezige Bij, 2014