Skip to content →

Daoud (Kamel), Meursault: contre-enquête

 

Wat mij het is bijgebleven van dit boek is de machteloosheid van morele reflectie. Als ‘antwoord op L’Étranger van Camus ligt de afwezigheid van zo’n reflectie in de lijn van verwachting. Dat was en is het schokkende van Camus’ gedachtenexperiment. Schokkender is daarom dat Daoud in dit boek de morele reflectie wel toelaat (ze is aanwezig bij Moussa, de broer. Hij verzet zich tegen wat van hem verwacht wordt), maar daarom juist laat zien hoe machteloos dit verzet is ten opzichte van culturele dwang, i.c. het wel moeten vergelden van een zinloze daad met een … even zinloze daad. (Dick Wursten)

Het interview-artikel hieronder met Daoud komt uit De MORGEN, 24-10-16, Lode Delputte

Literatuur is de enige concurrent voor dictatuur

De Brit met Indiase roots Salman Rushdie kennen we natuurlijk, net als diens Bengaalse collega Taslima Nasreen. Maar zij zijn bepaald de enigen niet: ellenlang is de lijst van auteurs, doorgaans islamkritische seculieren uit de Arabische en moslimwereld, die de voorbije decennia fatwa’s over zich afgeroepen kregen. Zo ook Kamel Daoud (46), een van de markantste en meest gehoorde stemmen uit de Frans-Algerijnse journalistiek en literatuur. Internationaal doorbreken deed hij met Meursault: contre-enquête (Moussa of de dood van een Arabier, Ambo/Anthos), een roman die hem de Prix Goncourt voor het beste debuut opleverde. In het werk, dat inmiddels in dertigvoud vertaald is, breit hij een wrang en verbeten vervolg aan De vreemdeling van Albert Camus. Dat existentialistische, eveneens in Oran gesitueerde relaas voert ene Meursault op die een Arabier doodt die voor de rest anoniem blijft. Meer dan 70 jaar later dient Daoud Camus van antwoord door het slachtoffer een naam te geven, Moussa. Maar net zomin als Camus destijds de Franse koloniale orde zou hebben verdedigd, neemt Daoud het op voor het erfdeel van de Algerijnse onafhankelijkheidsstrijders. Wat uit zijn boek mij het meest is bijgebleven (net als uit Camus trouwens) is het feit dat er geen morele reflectie is. Daoud voegt in dit boek toe,  dat als die reflectie er al zou zijn, dan ze dan machteloos zou staan ten opzichte van de culturele dwang, i.c. het wel moeten vergelden van een zinloze daad met een … even zinloze daad. Erg hoopvol is het allemaal niet.

In de erg gesloten Arabische wereld hielp de Franse taal mij om de werkelijkheid te erotiseren

Aanvankelijk was Daoud journalist, vandaag is hij vooral romancier. En heeft dus een fatwa, hem toegediend door de salafistische geestelijke leider Abdelfettah Hamadache. Hamadache noemde de auteur “een afvallige, ongelovige, zionistische crimineel die God lastert. Wij roepen de Algerijnse staat op hem publiekelijk ter dood te veroordelen.” Neen, het was niet per se Meursault die Hamadaches toorn gewekt had, wel Daouds uitspraak op de Franse tv dat “als we in de Arabische wereld niet voor eens en altijd de godsvraag beslechten, we de mens niet in zijn rechten zullen herstellen, en niet tot vooruitgang in staat zullen zijn. De religieuze kwestie wordt cruciaal voor de Arabische wereld. Die knoop móéten we doorhakken.”

Het pleit voor Algerije dat de boze imam prompt tot drie maanden celstraf veroordeeld werd. Goed, een fatwa is een fatwa, een fanaticus heeft de wereldse wetten niet nodig om het hakmes te wetten. Maar in Daouds discours klinkt erkentelijkheid door. “Verre van mij om het voor mijn regering op te nemen,” zegt hij in Bozar, “maar ook daar zitten, net als in Syrië, Nigeria of Marokko, dappere mensen die elke dag opnieuw op gevaar van eigen leven de vrijheid verdedigen. Daar wordt nooit over geschreven, we staren ons blind op de islamisten.”

Het Westen is een vluchtoord voor vrouwen, voor boeken en voor waarden

Kortom, Daoud – Docksides, jeans, blauw jasje – houdt er niet van “om als intellectuele martelaar naar voor geschoven te worden, net zomin als ik de sjamaan wil zijn die in de politieke toekomst kan kijken”. Alleen, en dat geeft hij grif toe: “We zitten in het hart van een strijd, in het hart van belangen die de hele samenleving aangaan.” Het ergste kwaad zit nochtans niet waar je het vermoedt, zegt Daoud. Een fatwa die zijn kop eist? Ach, tientallen schrijvers zijn hem voorgegaan. Dat politiek correcte academici in Frankrijk hem echter collectief op zijn nummer zetten, en hem in een tribune in Le Monde aanwreven het bed te spreiden voor extreemrechts, daar moest hij pas echt van slikken. Zozeer zelfs dat Daoud een punt zette achter de journalistiek om zich enkel nog aan de literatuur te wijden.

korte inhoud van Daoud’s essay: IS en Al Qaeda en de Ayatolla’s haten niet zozeer ons, maar zichzelf. Zij immers voelen zich meteen onzeker als ze een vrouw in het aangezicht kijken. Ze zijn afgeleid als ze de contouren van een boezem, een enkel, ontwaren. Hoe kan het dan dat Westerse mannen gewoon blijven doen, terzake blijven handelen, en doorgaan met het leven van alledag, terwijl ze omringd worden door al die ‘objects of desire’… Dat is het probleem.

“Het ging om dat stuk over de seksuele misère in de islam dat ik schreef na wat er met oudjaar in Keulen was gebeurd”, zegt hij. In het essay stelde Daoud dat de vrouw in de islam “genegeerd, geweigerd, vermoord, gesluierd, opgesloten of bezeten” wordt, en dat “de ziekelijke band die sommige Arabische landen hebben met de vrouw door de vluchtelingen uit het Midden-Oosten en Afrika nu ook Europa binnendringt”. “Ik had het artikel voor La Repubblica geschreven. Toen namen ook de Duitse en de Britse media het over, vervolgens Le Monde en The New York Times. Nergens kreeg ik er problemen mee, ook niet in Algerije. Maar in Frankrijk? Daar verweten ze me de polemiek te voeden en er mijn brood mee te verdienen.”

In zijn wederwoord, het Facebook-bericht 50 tinten haat, noemde Daoud de universitaire revolte “immoreel”, in Brussel sprak hij van een selectieve lectuur. “Ze zitten niet in mijn vel, ze wonen niet in mijn land. Als ik me in hun logica verplaats, kan ik beter ophouden met schrijven. Wat ik schrijf, daar sta ik achter. Hoe anderen mijn tekst interpreteren, daar ben ik niet verantwoordelijk voor.”

In Algerije of elders in de moslimwereld barst het van de stille heldinnen. “Want terwijl kleding voor Europese vrouwen een vorm van elegantie of smaak is, is ze daar een kwestie van strijd, van militantie. Ik wil het Westen in geen geval verleiden, maar het Westen is wel een vluchtoord, voor vrouwen, voor boeken en voor waarden. Europa moet genereus zijn voor zijn moslims, ze zullen voor of tegen kiezen. Maar voor toegevingen is geen plaats meer, niet lichamelijk, niet sensueel, niet seksueel.”

Cultureel voelt Daoud zich moslim, het levensbeschouwelijke houdt hij voor zichzelf. “Maar een plek waar één utopisch boek alle andere vervangt, zo’n plek doodt de letteren. In mijn jeugd was ik erg islamistisch. Voor mij hebben de letteren gewerkt. Ze hebben mijn wereld gerevitaliseerd, maar ook menselijker gemaakt. De literatuur is de enige reële concurrentie voor de dictatuur. Maar daarvoor – en dat is een ander probleem – moet je boeken ook toegankelijk maken. Een roman kost makkelijk 19 euro, een handleiding om terreur te zaaien vind je gratis.”