Skip to content →

Roebben (Bert), Inclusieve godsdienstpedagogiek

Hinken op twee gedachten: de nieuwe godsdienstpedagogiek van Bert Roebben (bespreking verschenen in Collationes)

The times they are a-changing, steeds sneller, lijkt het wel, niet in het minst qua levensbeschouwing. Bert Roebben probeert als godsdienstpedagoog de vinger aan de pols van de tijd te houden en vond blijkbaar dat het tijd was om een nieuwe insteek in de materie te nemen. Verscheen in 2012 nog een herdruk van zijn boek Godsdienstpedagogiek van de hoop uit 2007, nu is er een nieuw boek: Inclusieve godsdienstpedagogiek. Grondlijnen voor levensbeschouwelijke vorming (Acco Leuven/Den Haag, 2015). Wie het boek leest en Roebben kent, zal naast nieuwe aanzetten ook veel vertrouwde gedachtegangen tegenkomen en zelfs hoofstukken uit het vorige boek, maar – vergis u niet – ook die zijn herwerkt. Alles staat onder een ander voorteken, en dat maakt een wereld van verschil.

The devil (or God) is in the details: in dit geval zit het verschil in een woord uit de ondertitel dat weerkeert in de titel van elk van de zeven hoofdstukken: levensbeschouwelijk. Ging het boek uit 2007/2012 nog over de grondlijnen voor religieuze vorming (ondertitel), in 2015 wil Roebben grondlijnen voor levensbeschouwelijke vorming trekken (ondertitel). De vervanging van religieus door levensbeschouwelijk is geen woordspelletje, maar cruciaal. Het karakteriseert het nieuwe van zijn insteek en zo probeert hij zijn godsdienstpedagogiek van de hoop weer ‘zeitgemäss’ te maken. Wil je in 2015 een serieuze godsdienstpedagogiek schrijven, kan dat volgens Roebben dus niet meer met het oog op de religieuze vorming van de leerling, maar dan moet je daarbij gericht zijn op de levensbeschouwelijke vorming van de leerling.

What’s in a name? Voor velen zijn de termen godsdienst (religie) en levensbeschouwing quasi synoniem. Voor Roebben en voor godsdienstpedagogen (en leraars) niet. De laatste jaren is het besef gegroeid dat het bijzonder gelukkig is dat de Nederlandse taal in de term ‘levensbeschouwing’ een term heeft die een betekenis heeft (of kan krijgen) los van een godsdienst. Zo kan dit begrip dienen als koepelterm waaronder diverse religieuze en niet-religieuze wereldvisies (beleving en interpretatie van de wereld) kunnen worden gevat. In het officieel onderwijs is de term ‘levensbeschouwelijke vakken’ zelfs geheel ingeburgerd – tot in overheidsdecreten toe – en omvat ‘godsdiensten (meervoud) en ‘niet-confessionele zedenleer’ in één beweging [1]. Spreken over ‘levensbeschouwelijke vorming’ suggereert dus dat de visie op en de beleving van het leven van de niet-religieuze medemens in dit boek volop mee mag spreken in de lessen. Dit is inderdaad wat Roebben ambieert. De vraag is of hij daarin slaagt en – verder doordenkend – of het wel mogelijk is in een boek dat tegelijk een godsdienstpedagogiek wil zijn.

Words, words, words… Hoe nadrukkelijk de shift van religieuze vorming naar levensbeschouwelijke vorming ook in de verf wordt gezet en hoe vaak ook het adjectief ‘levensbeschouwelijk’ opduikt, ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat Roebben de draagwijdte van zijn eigen keuze niet heeft overzien. Hij weet van de pluraliteit in levensbeschouwelijke oriëntaties, hij ontwikkelt zijn gedachten op zoek naar methoden om ook de anders-denkenden, anders-gelovigen mee te nemen op de zoektocht naar zin en betekenis, maar hoe je het ook wendt of keert: zijn denkwijze is en blijft gevangen in het westerse, modern-christelijke theologische discours. Zonder de contradictie zelfs maar te voelen, subsumeert Roebben het levensbeschouwelijk leren in aanwezigheid van de ander (hoofdstuk 3) onder de rubriek: ‘inter-religieus leren’, terwijl juist zo’n term de uitsluiting van hele groepen van leerlingen impliceert als je les geeft in een levensbeschouwelijk gemengde klas, die ook Roebben veronderstelt. Waar komt die blinde vlek vandaan? Roebbens sterke punt is juist dat hij niet onverschillig is voor het ‘andere’, maar aan elke medemens die plaats wil geven die hem of haar past. Hij wil niets opleggen. Hij wil het verschil niet uit de weg gaan, ook niet gladstrijken, maar het uithouden in het verschil in al z’n weerbarstigheid en tegensprekelijkheid[2]. Ik vrees dat een deel van het antwoord te vinden is in het bijvoeglijke naamwoord dat hij aan zijn nieuwe godsdienstpedagogiek heeft toegevoegd: Inclusieve godsdienstpedagogiek.

Who frames the question bepaalt het antwoord. Roebbens hartverwarmende christelijke pedagogiek blijft ondanks de vernieuwde ondertitel een door-en-door christelijke pedagogiek van een laat-moderne West-Europese snit. Sleutelwoorden om het levensbeschouwelijke terrein te ontginnen zijn de ‘levensvragen’ (die verondersteld worden universeel te zijn) en de antwoorden worden gezocht via ‘narrativiteit’. Zo worden voorkomende verschillen of niet gezien (want niet opgenomen in de levensvragen) of herleid tot verhalen die wij mensen elkaar vertellen. De manier waarop Roebben het zo afgebakende terrein exploreert en openlegt is hartverwarmend. De ‘all-inclusive teacher’ op een ‘inclusieve school’ neemt in zijn visioen alle leerlingen als mystagoog mee op een spannende speurtocht waarbij iedereen zijn of haar levensbeschouwing vindt/verdiept. Roebben neemt je mee in zijn vertoog (hij schrijft bevlogen) maar als hij uitverteld is blijf je met een vreemd gevoel van leegte zitten. Inclusiviteit klinkt sympathiek, en zo bedoelt Roebben het ook, maar het blijft een machtswoord. Het is een paternalistisch woord. Het veronderstelt een ‘meerdere’ en een ‘mindere’ positie. Er is iemand (een groep) die ‘het weet’, die het ook voor het zeggen heeft en er zijn anderen (individuen, groepen) die van harte welkom zijn, die mee mogen doen, maar wel in het spel dat de ‘meerdere’ heeft uitgezet. Inclusiviteit doet precies wat het woord zegt: het ‘sluit de ander in’. Dat betekent dat – als het erop aankomt – de ander niet echt vrij is om zichzelf te zijn, en dus – als het erop aankomt niet serieus genomen wordt in zijn anders-zijn[3]. Nogmaals, Roebben wil dat zeker niet, maar als het op reële levensbeschouwelijke diversiteit aankomt is dit toch het effect. Ze zullen de goede bedoeling voelen, maar zich toch niet echt gekend weten. Ben ik te scherp? The proof of the pudding lijkt me dit: leg dit boek voor aan een vrijzinnig humanist, een seculiere levensgenieter/harde werker, een bijbelgetrouwe ‘evangelical‘ en een overtuigde moslim en vraag of hij het gevoel heeft dat zijn levensbeschouwelijke oriëntatie (beleving van en visie op het leven) hier echt aan bod kan komen. Ik waag het te betwijfelen.

Non in formulas credimus sed in res… Met dit prachtige citaat uit de Catechismus, aangehaald door Roebben op p. 109, wil ik de slotbeschouwing openen. Roebben heeft de pedagogische ‘formuleringen’ willen aanpassen aan de realiteit. Hij is daar echter m.i. maar half in geslaagd. De ‘learning community’ van christelijke pedagogen, waarin hij leraar en leerling is, en die door hem zelf vol dankbaarheid genoemd wordt in het voorwoord en fotografisch vastgelegd op de cover, zou ook wel eens een gesloten kring kunnen zijn. Dat de pluraliteit van levensbeschouwingen (institutioneel en persoonlijk) de echte uitdaging is waar wij in het levensbeschouwelijk onderwijs voor staan, heeft hij echter goed gezien. Hij is zich er ook van bewust dat levensbeschouwingen en wel met name als zij gestold zijn tot instituten, niet alleen maar een bron zijn van positieve emoties en visies, maar evenzeer kunnen dienen als aanjager van tegenstelling en conflicten. Hij weet ook dat die niet zomaar oplossen in een fijn eenheidsgevoel als je er maar lang genoeg samen mee bezig blijft. Hij neemt de confrontatie zelfs op in de grondhouding van het nieuwe levensbeschouwelijke leren (schema p. 75), maar weigert daarop door te denken. De mogelijke ‘confrontatie’ wordt meteen in de ontmoeting ontmijnd door de vakkundige leraar. Dat is heel hoopvol van Roebben, maar ik vrees net zo onrealistisch als de Bijbelse concretiseringen die hij in hoofdstuk 6 presenteert[4]. De ander in zijn anders-zijn wordt hier eigenlijk niet serieus genomen, ondanks de verklaring van het tegendeel. Geloofsovertuigingen, filosofische opvattingen, zelfbeelden, morele gevoeligheden: ze leiden tot vuurwerk in de klas als je ze aan bod stelt. Levensvragen verschillen per traditie, en de manier waarop er met levensvragen wordt omgegaan evenzeer[5]. Wat voor de één een essentiële levensvraag is, is voor een ander misschien onnozel en voor weer een ander het verwerpelijkste dat er is…. Levensbeschouwelijke visies en belevingen verschillen niet in détails, maar in centrale waarheids-, werkelijkheids- vertrouwens- en gezagsclaims, inclusief de bijbehorende veroordelingen van andere opvattingen (en de mensen daarachter). Verschillen doen pijn, schuren, veroorzaken wrijving. Mensen die hun levensbeschouwing dus gezamenlijk gaan exploreren en expliciteren gaan met spanningen te maken krijgen. Voorwaarde om dat te kunnen doen is dat men common ground afbakent waarop deze ontmoeting zal plaatsvinden en regels afspreekt voor de inter-levensbeschouwelijke ontmoeting, waaraan men zich houdt. Een ‘vaderfiguur’ met mystagogische kwaliteiten, die iedereen onder z’n hoede houdt (all-inclusive teacher) en kwetsuren voorziet en voorkomt, zou mooi meegenomen zijn, maar in een gewone schoolsituatie lijkt het mij beter dat dit gebaseerd wordt op heldere afspraken, die onderdeel uitmaken van de (inter-)levensbeschouwelijke vakinhoud en die bepalend zijn voor de bijbehorende levensbeschouwelijke pedagogiek. Kortom: het is wachten op Roebbens volgende boek waarin hij de stap zet van godsdienstpedagogiek naar een levensbeschouwelijke pedagogiek. Dat zou ‘zeitgemäss’ en ‘zukunftsträchtig’ zijn. Het zal een wetenschappelijk up-to-date pedagogiek moeten zijn, ontwikkeld in gesprek met antropologen, sociologen, filosofen, pedagogen godsdienstwetenschappers (kortom de menswetenschappen), en theologen uit diverse godsdiensten, waarin de centrale vraag zal zijn: Hoe kunnen we de levensbeschouwelijke vorming van jonge mensen zo organiseren (logistiek en inhoudelijk) dat hun samenleven erdoor wordt verrijkt in plaats van bedreigd. Die pedagogiek zou rekening moeten houden met de context van het levensbeschouwelijke onderwijs op onze scholen. Het vak wordt namelijk heel anders gegeven op vrije (levensbeschouwelijk geëngageerde) scholen dan op de officiële (openbare of neutrale, d.w.z. levensbeschouwelijk plurale) scholen[6]. Vooral die laatste groep blijft vanuit levensbeschouwelijk oogpunt pedagogisch in de kou staan. Roebbens boek raakt de realiteit van het levensbeschouwelijke onderwijs zoals het daar wordt gegeven nauwelijks aan. In het officieel onderwijs wordt immers de levensbeschouwelijke vorming principieel pluraal opgevat (de nieuwe invulling van de wettelijke verplichting tot ‘neutraliteit’). En dit gebeurt op twee verschillende manieren tegelijk. Enerzijds geeft elke erkende levensbeschouwing op haar eigen wijze levensbeschouwelijk onderwijs (naast elkaar, aparte vakken). Anderzijds is er sinds kort ook een verplichtend engagement om inter-levensbeschouwelijke projecten te realiseren. Dit moet gebeuren met respect voor de eigenheid van elk vak, dus zonder dat de een de ander mag ‘insluiten’, principieel pluraal dus. En aan een levensbeschouwelijke pedagogiek die de pluraliteit van het levensbeschouwelijke landschap op deze wijze exploreert, ontbreekt het tot op heden in Vlaanderen. Dit betekent dat er bijna geen pedagogisch materiaal voorhanden is (het wordt daarom maar ad hoc ontwikkeld of uit het buitenland overgenomen) en het wetenschappelijke onderzoek ernaar moet nog beginnen. In lerarenopleidingen wordt er aarzelend een begin gemaakt om de toekomstige leerkrachten ook hierop voor te bereiden. De decennialange fixatie op de (meer of minder inclusieve) godsdienstpedagogiek voor het vrij onderwijs heeft een lacune in het onderzoek opgeleverd en een blinde vlek bij veel godsdienstpedagogen. Hoe open het hermeneutisch-dynamische model of de dialoogschool ook is, het blijven concepten voor het vrij onderwijs, die niet zonder meer overdraagbaar zijn naar het officieel (pluralistisch) onderwijs. Ik durf dus stellen dat Vlaanderen wacht op een levensbeschouwelijke pedagogiek, waar de pluraliteit van de levensbeschouwelijke werkelijkheid het uitgangspunt is. Roebben zou het kunnen coachen, want zijn formule dat ‘levensbeschouwelijk leren altijd in aanwezigheid van de ander’ moet geschieden, is m.i. een prima startpunt om leraren en leerlingen te leren omgaan met de interessante, maar ook explosieve realiteit waarnaar het woord ‘levensbeschouwing’ verwijst.

DW

Bert Roebben, Inclusieve godsdienstpedagogiek. Grondlijnen voor levensbeschouwelijke vorming (Acco Leuven/Den Haag, 2015).

[1]  In ons taalgebied wordt de verwarring rond deze term jammer genoeg systematisch in stand gehouden door het feit dat in Nederland de afkorting G/L (Godsdienst/Levensbeschouwing) wordt gebruikt voor het vak ‘levensbeschouwelijke vorming’, daarmee een scheidslijn suggererend tussen levensbeschouwelijk vorming op godsdienstige basis (G) of op niet godsdienstige basis (L) of op niet-aan-één-godsdienst-gebonden basis. Het pedagogisch project van de school is hierbij bepalend. Hiermee verliest de term ‘levensbeschouwing’ zijn koepelfunctie.

[2] Roebben en andere Nederlandse pedagogen hebben voor deze attitude het vreselijk lelijke woord ‘verschilligheid’ geïntroduceerd (tegengestelde van on-verschilligheid). Een eenmalig gebruik van dit woord als ’eye-opener’ lijkt mij acceptabel, maar het blijvend gebruiken als vakterm af te raden. Jargon is er al veel te veel en de taalesthetica wil ook wel eens wat.

[3] Het is – in zeer verdunde vorm – dezelfde neerbuigendheid die in de officiële rooms-katholieke theologie voorkomt als het gaat over ‘de andere godsdiensten’, waarvan men – groothartig als men is – erkent dat er toch ook veel goede elementen in zitten. Het islamitische discours over de andere ‘godsdiensten van het boek’ verloopt langs dezelfde lijnen. Waar het laatste discours christenen stoort, valt het de meeste christenen niet op hoe zij hetzelfde doen. (DEZE VOETNOOT IS NIET ECHT CORRECT EN WELLICHT OVERBODIG)

[4] Zes van de zeven praktijkvoorbeelden die hij opsomt waren oefeningen met ‘studenten in de lerarenopleiding’. Ik nodig Roebben en zijn collega’s uit praktijklessen te testen in gemengde levensbeschouwelijke klassen in ASO-TSO-BSO, bij voorkeur in één van de grote steden van dit land.

[5] Praat eens vanuit levensbeschouwelijke invalshoek met tieners in een levensbeschouwelijk gemengde klas over Jezus’ kruisdood, Mohammed, de sharia, de koran, uitgaan, de mis, homo’s etc…

[6] Voor de vrije levensbeschouwelijk geëngageerde (al dan niet confessionele) scholen, zoals de rooms-katholieke, protestantse, islamitische en vrijzinnige scholen is het zaak dat de overheid (onderwijsinspectie) de algemene eindtermen handhaaft, duidelijke opleidingsvereisten oplegt voor alle leerkrachten, en minimumvoorwaarden opstelt waaraan een pedagogisch project moet voldoen, wil de school een erkenning krijgen.